Veelgestelde vragen

Hier vindt u de antwoorden op de meestgestelde vragen, onderverdeeld in een aantal categorieën. Klik op één van de categorieën en dan ziet u daaronder de meestgestelde vragen in deze categorie. Als u op de vraag klikt, opent daaronder een venster met het antwoord. 

Heeft u een vraag die niet in dit overzicht vermeld wordt of wilt u extra of specifieke informatie als aanvulling op de antwoorden in dit overzicht? Stuur dan een mail naar info@ascert.nl

In het certificatieschema is een artikel over “onverenigbaarheid van functies” opgenomen, waarin staat welke combinaties niet zijn toegestaan. Voor asbestinventarisatiebedrijven is dit artikel 7, voor asbestverwijderingsbedrijven is dit artikel 25.

De eisen zijn gesteld in de certificatieregeling. U vindt de certificatieregeling onder 'Wetgeving'

De Certificerende Instelling draagt zorg voor het opnemen van de certificaatgegevens in het register. Er zit vrijwel altijd een aantal dagen verwerkingstijd tussen de uitgifte van het certificaat en opname in het register. 

U kunt uw melding kenbaar maken aan de Certificatie-instelling van het gecertificeerde bedrijf. De Certificerende Instelling geeft het certificaat uit en heeft ook de taak te controleren of het bedrijf aan de gestelde eisen voldoet. Indien dit laatste niet het geval is, kan de Certificerende Instelling een afwijking of sanctie uitschrijven of zelfs het certificaat intrekken.

De eisen zijn gesteld in de certificatieregeling. U vindt de certificatieregeling onder 'Wet- en Regelgeving'

De Commissie SCi-547 is inmiddels opgeheven. Hiervoor in de plaats is het Validatie en innovatiepunt (VIP) gekomen. De besluiten die door de Commissie SCi-547 zijn genomen, zijn op te vragen via het secretariaat.

U dient aangemerkt te zijn als asbestinventarisatiebedrijf om tikken te kunnen kopen en smartuitdraaien te maken.

Bent u onlangs gecertificeerd dan kunt u inderdaad nog geen tikken kopen of smartuitdraaien maken.

U kunt zichzelf niet als asbestinventarisatiebedrijf  aanmerken. Dit wordt gedaan door de technisch beheerder. Dien een verzoek in bij Ascert via het contactformulier om aangemerkt te worden als asbestinventarisatiebedrijf. Staat u nog niet in het register stuur dan een kopie van het certificaat mee.

Na indienen van het verzoek verifiëren wij of u daadwerkelijk een gecertificeerd asbestinventarisatiebedrijf bedrijf bent en indien akkoord zullen wij u dan aanmerken als asbestinventarisatiebedrijf en u hiervan berichten.

Dat betekent dat u als gebruiker geregistreerd bent, maar dat de beheerder van uw organisatie u nog geen rechten heeft gegeven. Wie de beheerder is wordt op dat moment ook op het scherm aangegeven. Vraag uw beheerder dan om toegang te krijgen tot SMART. Er is voor beheerders ook een aparte handleiding gemaakt, waar u kunt lezen hoe dat moet.

Dit heeft te maken met het beveiligingsniveau van uw browser (veelal Internet Explorer). Die staat het downloaden niet toe. Probeer eventueel een andere browser om te zien of het daar wel lukt om smarts te downloaden. Als het daar wel lukt is het dus zeker een browser probleem. Voeg de site in elk geval toe als vertrouwde site en stem even af met uw ICT afdeling of partner om de browser qua beveiliging goed af te stellen.

In SMART is een regelset ingesteld die de risicoklasses bepaald op basis van de antwoorden op de vragen die de DIA opgeeft. Deze regelset is gebaseerd op metingen en opgaves van TNO.

Indien er van een bepaald product en handeling onvoldoende of geen meetgegevens zijn dan is uitgegaan van worstcase.

Wijzigingen in de regelset v.w.b. de risicoklasse bepaling pas nadat er voldoende onderbouwing is hiervoor. Deze werkwijze is vastgelegd is de SCi-547.

Ja, dat mag. Het inlegvel dient te worden toegevoegd door een gecertificeerd asbestinventarisatiebedrijf. Het hoeft niet per se hetzelfde inventarisatiebedrijf te zijn als die het rapport heeft opgesteld.

Er worden met enige regelmaat vragen gesteld of stopverf als kit of als beglazingskit gezien mag worden. En daarmee of je stopverf kunt verwijderen met het beglazingskit protocol. Gezien de vele vragen zetten we deze voor iedereen op een rijtje.

Na afstemming met TNO is gesteld dat stopverf ingedeeld dient te worden bij kit. Niet bij beglazingskit. Het beglazingskit protocol mag dus bij stopverf niet toegepast worden.

In de praktijk is stopverf is wel veel toegepast als beglazingskit, maar ook anders (als vulmiddel). De validatie die is uitgevoerd op basis waarvan het beglazingskit protocol is opgesteld en de risico-indeling is gemaakt is niet gedaan op stopverf. Om die reden kan het beglazingskit protocol niet toegepast worden op stopverf. In SMART hangt de alias stopverf dus aan Kit.

Hoewel het technisch mogelijk is doorboringen in asbestplaten te maken zonder dat werknemers hier asbest gerelateerde risico's lopen, is een doorboring tbv het plaatsen van (nieuwe) voorzieningen zoals luchtkanalen, rookgasafvoer etc. geen bewerking als in het productbesluit asbest (art. 5c) bedoelde aanboring voor onderhoud en reparatie. Art. 5c richt zich nl. op het onderhoud en reparatie van de asbesthoudende voorziening zelf.

Het doorboren (= nieuw gat maken resp. het verwijderen van een deel van het asbest) van de asbest(golf)plaat valt niet onder de uitzondering van dat artikel en is dus een bewerking die niet is toegestaan.

De glovebag mag alleen worden toegepast als een "niet betreedbare constructie van beperkte omvang waarmee het te verwijderen asbesthoudende materiaal lekvrij wordt afgeschermd van de omgeving". Het gebruik is in geval van RK2 en RK2a toepassingen voorbehouden aan een gecertificeerd asbestverwijderingsbedrijf door of onder toezicht (op de projectlocatie) van een DTA. Na afloop van een glovebag-verwijdering is een visuele inspectie door een hiervoor geaccrediteerd onderzoeksbureau verplicht (te onderzoeken gebied minstens 2 meter vanuit de glovebag). De opdrachtgever kan verzoeken om aanvullende luchtmonsters, met analyse door middel van elektronenmicroscopie.

De glove-bag mag alleen worden toegepast als de SMART in het asbestinventarisatierapport dit specifiek vermeldt. De eisen die bij gebruik van de glove-bag horen zijn ook opgenomen in de SMART.

Nee, hiervoor is geen richtlijn. 

In artikel 19, 1e lid van het certificatieschema is de minimale omvang van een inventarisatie vastgelegd. In de toelichting van artikel 19 is het volgende opgenomen “Een asbestinventarisatie beperkt zich niet tot een inventarisatie van afzonderlijke bronnen of constructiedelen.” Het inventariseren van alleen het dak is dus niet toegestaan.

Klachten over bedrijven met een procescertificaat kunt u kenbaar maken bij de Certificerende Instelling die het certificaat van het desbetreffende bedrijf heeft uitgegeven. In het register op onze website kun u nakijken door welke CI het certificaat is afgegeven.

Wijzigingen of fouten in uw bedrijfsgegevens of persoonsgegevens kunt u doorgeven aan de CKI door wie aan u een certificaat is verstrekt. Stichting Ascert verwerkt alleen gegevens die door de CKI's worden aangeleverd. 

In het certificatieschema staat bij artikel 20 lid 1

Het asbestinventarisatiebedrijf draagt er zorg voor dat van elk aangetroffen type asbestverdacht materiaal een representatief monster wordt genomen. Deze verplichting geldt niet bij objecten waarvan uit geraadpleegde documentatie aantoonbaar blijkt:
a. welke soorten asbest in het object verwerkt zijn en wat de percentages asbest zijn; of
b. dat er asbest in het object verwerkt is en voor SMART geen analyseresultaten nodig zijn om de risicoklasse te bepalen.

In de Toelichting bij het artikel staat:
Als het nemen van een monster niet mogelijk blijkt omdat de asbesthoudende toepassing in het object verwerkt is en het nemen van een monster kan leiden tot asbestvezelemissie en de risicoklasse door het ontbreken van een percentage asbest niet bepaald kan worden door middel van SMART, moet de toepassing in de hoogste risicoklasse worden ingedeeld.

Er dient in deze gevallen dus de hoogste risicoklasse toegekend te worden. Echter er is hierop één uitzondering die voortkomt uit de zin in lid b “en voor SMART geen analyseresultaten nodig zijn om de risicoklasse te bepalen.”

SMART heeft voor één specifiek geval geen analyseresultaten nodig om wél tot een risicoklasse te komen. Voor toepassingen waarbij het asbest volledig omsloten is (zoals bij toestellen of platen in deuren) en er dus ook geen asbest kan vrijkomen zal Smart een risicoklasse 1 toekennen. De gedachte hierachter is dat juist de bemonstering ervoor zou zorgen dat het omsloten asbest niet meer omsloten is en je juist emissie gaat veroorzaken. In SMART dient dan bij de asbest soorten “Geen analyse” te worden aangegeven. Vervolgens staat SMART bij bevestiging alleen nog maar “Geheel omsloten” en bij de handeling “Omsloten toepassing verwijderen” toe om deze situatie te ondersteunen.

Het is niet toegestaan in het rapport meerdere geschiktheden aan te geven behorende bij één reikwijdte. Dat kan geconcludeerd worden uit het woordje “of” dat bij de geschiktheden in het certificatieschema is gesteld. Om te voorkomen dat er in bovengenoemde situatie 2 rapporten moeten worden gemaakt, is het wel toegestaan om op het titelblad per object een reikwijdte en geschiktheid aan te geven.
In het genoemde voorbeeld wordt de reikwijdte van de woning en de schuur separaat op het titelblad vermeld als: “het gehele bouwwerk of het gehele object”.
De geschiktheid van de woning separaat vermeld als “geschikt voor renovatie zonder de bouwkundige integriteit aan te tasten” en de geschiktheid van de schuur separaat vermeld als: “geschikt voor volledige renovatie of totaalsloop”.

Er worden met enige regelmaat vragen gesteld of stopverf als kit of als beglazingskit gezien mag worden. En daarmee of je stopverf kunt verwijderen met het beglazingskit protocol. Gezien de vele vragen zetten we deze voor iedereen op een rijtje.

Na afstemming met TNO is gesteld dat stopverf ingedeeld dient te worden bij kit. Niet bij beglazingskit. Het beglazingskit protocol mag dus bij stopverf niet toegepast worden.

In de praktijk is stopverf is wel veel toegepast als beglazingskit, maar ook anders (als vulmiddel). De validatie die is uitgevoerd op basis waarvan het beglazingskit protocol is opgesteld en de risico-indeling is gemaakt is niet gedaan op stopverf. Om die reden kan het beglazingskit protocol niet toegepast worden op stopverf. In SMART hangt de alias stopverf dus aan Kit.

Om te bepalen of iets een geheel bouwwerk is of een gedeelte van een bouwwerk kan het beste gekeken worden of de bouw van het onderzochte deel destijds als zelfstandig bouwwerk is neergezet of als onderdeel van dan bouwwerk.
De genoemde flatwoning is als onderdeel van de gehele flat gebouwd en is dus een gedeelte van het bouwwerk.
Datzelfde geldt bijvoorbeeld voor een tussen- of hoekwoning van een bouwblok. Ook deze maken deel uit van het gehele bouwblok en zijn separaat dus een gedeelte van het bouwwerk. Pas als het gehele blok van woningen onderzocht wordt is sprake van het gehele bouwwerk.

Ja, dat mag. Als de verschillende bouwwerken verschillende reikwijdten en/of geschiktheden hebben moet dit op het titelblad aangegeven worden.
Stel u onderzoekt een woning met twee schuren A en B. U heeft uitsluitend de 1e verdieping van de woning onderzocht met als doel om deze inpandig te kunnen renoveren zonder dat de bouwkundige integriteit wordt aangetast, en de schuren geheel onderzocht met als doel  totaalsloop.
U heeft tijdens het onderzoek geen beperkingen ten aanzien van het doel van het onderzoek.
Voor de woning geeft u op het titelblad aan “een gedeelte van het bouwwerk of een gedeelte van het object” met als geschiktheid “geschikt voor renovatie zonder de bouwkundige integriteit aan te tasten”
Voor de schuren A en B geeft u op het titelblad aan “het gehele bouwwerk of gehele object” met als geschiktheid “geschikt voor volledige renovatie of totaalsloop”.
In de samenvatting van het rapport dient u nader te specificeren welk gedeelte van de woning is onderzocht.
Bouwwerken met de zelfde geschiktheid en reikwijdte mogen dus geclusterd worden op het titelblad.

Het rapport moet aangeven wat daadwerkelijk is onderzocht en wat de geschiktheid van het rapport is voor de uitvoering. Dat kan inderdaad anders zijn dan in eerste instantie met de opdrachtgever is afgesproken.
Zo mag een rapport waarin vermeld wordt dat deze geschikt is “voor volledige renovatie of totaalsloop” onvoorwaardelijk geschikt zijn voor dat doel binnen de reikwijdte en geen beperkingen of uitsluitingen meer bevatten. Zijn deze er nog wel, dan dient een andere (juiste) geschiktheid te worden gerapporteerd, de reikwijdte te worden aangepast naar dat deel van het bouwwerk waarvoor geen beperkingen of uitsluitingen gelden, of dienen de beperkingen of uitsluitingen die tijdens het onderzoek zijn waargenomen eerst opgeheven te worden.

Als zich binnen de reikwijdte asbestverdacht materiaal bevindt dan moet dat bemonsterd worden. (art. 20 1e lid).

Artikel 19.1 geeft aan: Een asbestinventarisatie omvat ten minste het gebied dat na de verwijdering van de asbesthoudende materialen visueel geïnspecteerd wordt als onderdeel van de eindbeoordeling…

Als tijdens de inventarisatie buiten de reikwijdte, maar binnen het inspectiegebied voor eindbeoordeling een asbestverdachte bron wordt aangetroffen dient deze dan wel bemonsterd te worden?

Nee, deze hoeft niet bemonsterd te worden als deze bron hechtgebonden is en als het niet om asbestresten gaat. Het inventarisatiebureau moet wel aangeven dat er (dus buiten de reikwijdte van het inventarisatierapport, maar binnen 5 meter van de bron) hechtgebonden asbestverdacht materiaal aanwezig is. Een niet-hechtgebonden bron of asbestresten moeten in dit geval wel bemonsterd worden. Asbestresten dienen bemonsterd te worden omdat tijdens de eindcontrole geen onderscheid gemaakt kan worden tussen oude en nieuwe besmettingen en het werkgebied kan bij aanwezigheid van dergelijke restanten niet worden vrijgegeven.

De eisen zijn gesteld in de certificatieregeling. U vindt de certificatieregeling onder 'Wet- en Regelgeving'

De Commissie SCi-547 is inmiddels opgeheven. Hiervoor in de plaats is het Validatie en innovatiepunt (VIP) gekomen. De besluiten die door de Commissie SCi-547 zijn genomen, zijn op te vragen via het secretariaat.

De glovebag mag alleen worden toegepast als een "niet betreedbare constructie van beperkte omvang waarmee het te verwijderen asbesthoudende materiaal lekvrij wordt afgeschermd van de omgeving". Het gebruik is in geval van RK2 en RK2a toepassingen voorbehouden aan een gecertificeerd asbestverwijderingsbedrijf door of onder toezicht (op de projectlocatie) van een DTA. Na afloop van een glovebag-verwijdering is een visuele inspectie door een hiervoor geaccrediteerd onderzoeksbureau verplicht (te onderzoeken gebied minstens 2 meter vanuit de glovebag). De opdrachtgever kan verzoeken om aanvullende luchtmonsters, met analyse door middel van elektronenmicroscopie.

De glove-bag mag alleen worden toegepast als de SMART in het asbestinventarisatierapport dit specifiek vermeldt. De eisen die bij gebruik van de glove-bag horen zijn ook opgenomen in de SMART.

Uitgangspunt voor de methode van asbestverwijderen is vastgelegd in het asbestinventarisatierapport. Als er behoefte bestaat om de werkwijze anders uit te voeren van wat in het asbestinventarisatierapport is opgenomen, dient dit in eerste instantie teruggekoppeld te worden aan het asbestinventarisatiebedrijf. Het asbestinventarisatiebedrijf kan dan beoordelen of de werkwijze die gewenst wordt past binnen de wettelijke kaders en kan, als dat het geval is, het inventarisatierapport aanpassen onder toevoeging van een nieuwe SMART die de eisen voor verwijdering beschrijft.

Hoewel het technisch mogelijk is doorboringen in asbestplaten te maken zonder dat werknemers hier asbest gerelateerde risico's lopen, is een doorboring tbv het plaatsen van (nieuwe) voorzieningen zoals luchtkanalen, rookgasafvoer etc. geen bewerking als in het productbesluit asbest (art. 5c) bedoelde aanboring voor onderhoud en reparatie. Art. 5c richt zich nl. op het onderhoud en reparatie van de asbesthoudende voorziening zelf.

Het doorboren (= nieuw gat maken resp. het verwijderen van een deel van het asbest) van de asbest(golf)plaat valt niet onder de uitzondering van dat artikel en is dus een bewerking die niet is toegestaan.

De eisen zijn gesteld in de certificatieregeling. U vindt de certificatieregeling onder 'Wet- en Regelgeving'

De glovebag mag alleen worden toegepast bij een "niet betreedbare constructie van beperkte omvang waarmee het te verwijderen asbesthoudende materiaal lekvrij wordt afgeschermd van de omgeving. Het gebruik is voorbehouden aan een gecertificeerd asbestverwijderingsbedrijf door of onder toezicht (op de projectlocatie) van een DTA. Na afloop van een glovebag-verwijdering is een visuele inspectie door een hiervoor geaccrediteerd onderzoeksbureau verplicht (te onderzoeken gebied minstens 2 meter vanuit de glovebag). De opdrachtgever kan verzoeken om aanvullende luchtmonsters, met analyse door middel van elektronenmicroscopie.

Klachten over bedrijven met een procescertificaat kunt u kenbaar maken bij de Certificerende Instelling die het certificaat van het desbetreffende bedrijf heeft uitgegeven. In het register op onze website kun u nakijken door welke CI het certificaat is afgegeven.

Wijzigingen of fouten in uw bedrijfsgegevens of persoonsgegevens kunt u doorgeven aan de CKI door wie aan u een certificaat is verstrekt. Stichting Ascert verwerkt alleen gegevens die door de CKI's worden aangeleverd. 

De verschillende SC-531 documenten hebben nimmer een officiële status gehad. Deze door Ascert opgestelde aanvullingen op het certificatieschema zijn nooit door het Ministerie van SZW goedgekeurd en om die reden nooit door Ascert gepubliceerd op de website. Op de inhoud van deze documenten kan derhalve geen geldig beroep worden gedaan. 

Indien een asbestverwijderingsbedrijf reeds een nieuwe versie van het inventarisatierapport ontvangt voordat de saneringswerkzaamheden zijn gestart en de constatering van niet gerapporteerd asbest reeds heeft plaatsgevonden, hoeft het asbestverwijderingsbedrijg geen melding aan de CI te doen.

Alleen indien niet gerapporteerd asbest wordt geconstateerd tijdens de sanering dient het asbestverwijderingsbedrijf de melding aan de CI te doen.

In de SCa-100 is dit punt ook opgenomen.

De Commissie SCi-547 is inmiddels opgeheven. Hiervoor in de plaats is het Validatie en innovatiepunt (VIP) gekomen. De besluiten die door de Commissie SCi-547 zijn genomen, zijn op te vragen via het secretariaat.

Het huidige DAV-certificaat is opgesplitst in twee niveaus.

Iemand die DAV wil worden, start met het behalen van een DAV-1-certificaat. Dit certificaat heeft een geldigheidsduur van 6 maanden.

Om in aanmerking te komen voor een DAV-2 certificaat, moet de DAV-1 binnen een termijn van 6 maanden na het behalen van het DAV-1 certificaat, onder begeleiding van een mentor, in de praktijk aan de slag te gaan bij één of meerdere gecertificeerde asbestverwijderingsbedrijven.

In deze praktijkperiode moet de DAV-1 de door Ascert opgestelde praktijkopdrachten aantoonbaar uitvoeren in tenminste 120 pakuren, waarvan tenminste 30 in containment, in tenminste 40 pakdagen van tenminste 1 pakuur per dag.

Tussen de mentor, DAV-1 en de werkgever wordt een leerwerkovereenkomst getekend. Zonder mentor mag een DAV-1 niet werken in het werkveld asbest.

De mentor heeft een belangrijke rol in de begeleiding en opleiding van de DAV-1. De mentor dient te zijn opgenomen in het mentorregister op de website van Ascert.

Na het uitvoeren van het leer-werktraject die aan de eisen voldoet wordt een verklaring opgesteld door de mentor. Het dossier en de verklaring worden getoetst door Ascert. De DAV-1 kan met een verklaring van de mentor en het beoordelingsverslag van Ascert het DAV-2 examen aanvragen. Een DAV-1 moet binnen zes maanden (inclusief vrije dagen, e.d.) zijn praktijkopdrachten hebben afgerond. Binnen maximaal drie maanden na het verlopen van het DAV-1 certificaat dient het DAV-2 examen te zijn behaald. Hierna krijgt de kandidaat een DAV-2 certificaat dat 3 jaar geldig is.

Ja. Uw ADK diploma is en blijft geldig. Geldigheid kan door het secretariaat van Ascert ten allen tijden gecontroleerd worden.

Ja, het diploma blijft zichtbaar in het register van Ascert tot drie jaar na uitgifte van het ADK Diploma. Na deze drie jaar is het diploma niet meer zichtbaar op de website. Het secretariaat van Ascert kan de geldigheid te allen tijde controleren.

We maken op de website onderscheid tussen diploma's en certificaten. Als iemand zoekt op SCA-code en achternaam of geboortedatum en dit levert een zoekresultaat op, dan wordt daarbij aangegeven of de persoon een certificaat heeft of een diploma.

Tot drie jaar na uitgifte van het ADK Diploma blijft het diploma vermeld in het register.

Nee, hiervoor bestaat geen verplichting. Het kan zijn dat voor bepaalde functies en/of door bepaalde instanties de eis wordt gesteld dat je voortaan over een certificaat dient te beschikken. Neem hiervoor contact op in uw eigen organisatie of de organisatie waarvoor u werkt of gaat werken.

Personen die een diploma hebben dat op 1 maart 2017 niet ouder was dan 3 jaar kunnen alsnog een certificaat verkrijgen. Hiervoor kunnen zij zich melden bij de CKI of het examenbureau dat het diploma heeft verstrekt. Als door de CKI alsnog een certificaat wordt verstrekt, zult u in het register van Ascert worden opgenomen als certificaathouder ADK. Aan de omzetting van diploma naar certificaat kunnen kosten zijn verbonden. 

Klachten over een persoon met een persoonscertificaat kunt u kenbaar maken bij de Certificerende Instelling die het certificaat van de desbetreffende persoon heeft uitgegeven. In het register op onze website kun u nakijken door welke CI het certificaat is afgegeven.

Het persoonscertificaat wordt verstrekt door de Certificerende Instelling. Zij zorgen eveneens voor opname van de certificaatgegevens in het register van Ascert. Er zit doorgaans een aantal dagen tussen het moment van afgifte van het persoonscertificaat en de opname van de gegevens in het register.

De Certificerende Instelling draagt zorg voor het opnemen van de certificaatgegevens in het register. Er zit vrijwel altijd een aantal dagen verwerkingstijd tussen de uitgifte van het certificaat en opname in het registe

Wijzigingen of fouten in uw bedrijfsgegevens of persoonsgegevens kunt u doorgeven aan de CKI door wie aan u een certificaat is verstrekt. Stichting Ascert verwerkt alleen gegevens die door de CKI's worden aangeleverd. 

Voor een kopie van uw certificaatpas kunt u contact opnemen met uw Certificerende Instelling. Zij kunnen u een nieuwe verstrekken.

In het certificatieschema. Voor asbestinventarisatie in artikel 14 en voor asbestverwijdering in artikel 34.

Er zijn twee websites over de ABM Campagne:

https://www.vezelveiligheid.nl

De oude website (www.abm-campagne.vezelveiligheid.nl) blijft tot nader bericht in de lucht. De oude accounts en certificaten blijven hierdoor bereikbaar. 

Vereniging Veilig & Gezond Werken (voorheen AVAG) heeft op hun website certificaathouders van het SafetySign Erkend Face Fittester gepubliceerd:
http://www.safetysign.nl/certificaten/safetysign-erkend-face-fittester

Onder "facefit-testers" en "erkende tester" wordt verstaan het bedrijf dat erkend is door de Stichting Bedrijfserkenning voor Veiligheid, Gezondheid en Welzijn (VVGW) en een erkenning heeft voor de gele SafetySign. 

Nee, naast de persoon moet ook het bedrijf waar de fittest wordt afgenomen erkend zijn.

Door de late aankondiging van de schema’s en wat organisatorische uitvoeringsaspecten bij de VVGW zal op 1 maart 2017 het landelijk aanbod van erkende fittest bedrijven nog erg laag zijn. Om die reden heeft het CCvD ingestemd om de handhaving op artikel 14 en artikel 34 op te schorten tot 1 juni 2017. Dit houdt in dat de certificaathouders pas vanaf 1 juni 2017 zullen worden gehouden aan de verplichting om de fittest te laten uitvoeren bij een bedrijf, dat door de VVGW erkend is met het gele SafetySign.

Ja, die fittesten blijven geldig en hoeven pas uiterlijk 12 maanden na afgifte te worden vernieuwd.

Bekijk de website www.vezelveilgheid.nl, begin op tijd met het doorlopen van de instructies, lees de FAQ’s op de website van Vezelveiligheid en houd rekening met de 8 weken wachttijd tussen de instructie Adembescherming deel 1 en deel 2. De periode tussen deel 1 en 2 is bedoeld om de bewustwording van en juist gebruik van ABM te benadrukken.

Je kunt hiervoor contact opnemen met Vezelveiligheid via info@vezelveiligheid.nl of middels het contactformulier op hun website

Binnen drie werkdagen ontvang je een reactie.

Om de DAV-1 als mentor te begeleiden, dient u een mentortraining te hebben gevolgd. Na het succesvol afronden van deze training ontvangen we graag een ondertekend exemplaar van het mentorreglement, tezamen met een kopie van uw getuigschrift. Lees het mentorreglement goed door alvorens u ondertekent!

Opleiders van de mentortraining staan vermeld op de pagina 'Opleidingen Asbest'  bij de kolom 'Mentor'.

Een DAV-1 certificaat heeft een wettelijke geldigheid van zes maanden.
Als het niet lukt de vereiste uren en opdrachten te maken binnen de geldigheid van een DAV-1 certificaat, kan de leerling een nieuw DAV-1 certificaat behalen. Er kan hiervoor contact worden opgenomen met de Certificerende Instelling (CKI). 

Na het behalen van het nieuwe certificaat wordt er tussen de mentor, werkgever en DAV-1 een nieuwe Leerwerkovereenkomst ingevuld, waarna de mentor deze aan Ascert zal verstrekken. Ascert maakt een nieuw traject aan onder het nieuwe certificaatnummer en vanaf dat moment kan de DAV-1 het traject hervatten.

Reeds gemaakte pakdagen, pakuren en opdrachten mogen worden meegenomen naar het nieuwe traject.

Note voor de mentor: in het instructiedocument voor mentoren staat op pagina 13 hierover ook het e.e.a. beschreven. Lees dat even goed door.

Ascert beoordeling de (aanvullende) stukken binnen maximaal drie werkdagen. We kunnen helaas niet altijd voldoen aan verzoeken tot versneld controleren. Dossiers worden beoordeeld op volgorde van binnenkomst.

Trajecten worden beoordeeld op basis van een checklist.
Het instructiedocument voor mentoren beschrijft stap voor stap hoe u alle informatie moet verwerken in de mentormodule en met behulp van de checklist kunt u alles controleren voordat u het traject afrondt.

Ja, dit mag. Echter, om het examen te mogen afleggen is het beoordelingsverslag van Ascert wel nodig. Daarom adviseren wij te wachten met het aanvragen van het examen totdat het beoordelingsverslag van Ascert is ontvangen.

Nee.
De mentor hoeft niet in dienst te zijn van het asbestverwijderingsbedrijf waar de DAV-1 opdrachten uitvoert. In het schema (bijlage XIIIa, artikel 27) is wel als eis opgenomen dat het asbestverwijderingsbedrijf die een DAV-1 inzet, een mentor moet hebben aangesteld die geregistreerd moet zijn in het register van mentoren van Ascert.

Een DAV-1 mag in alle risicoklassen saneringswerkzaamheden uitvoeren. Alleen de risicoklassen 2 en 2a tellen mee voor het leerwerktraject.

De logboeken dienen te voldoen aan de eisen uit de certificatieregeling en voor de beoordeling van het DAV-1 traject tenminste te bevatten:

  • de in- uit registratie van de DAV-1 en andere DAV-ers;
  • de naam en handtekening van de DTA;
  • de locatie (adres) van uitvoering;
  • de datum van uitvoering;
  • de aard en beschrijving van de uitgevoerde werkzaamheden (wat is er gedaan, wat is verwijderd, wat was de risicoklasse, betrof het openlucht of containment situatie)

Wijzigingen of fouten in het mentorregister kunt u per e-mail aan Ascert doorgeven.

Mentoren (en DAV-1) kunnen wijzigingen in hun e-mailadres en/of wachtwoord zelf doorvoeren in de mentormodule. Indien dit niet lukt, kunt u contact opnemen met het secretariaat via info@ascert.nl