Dient een niet bemonsterde bron ingedeeld te worden in de hoogste risicoklasse?

In het certificatieschema staat bij artikel 20 lid 1

Het asbestinventarisatiebedrijf draagt er zorg voor dat van elk aangetroffen type asbestverdacht materiaal een representatief monster wordt genomen. Deze verplichting geldt niet bij objecten waarvan uit geraadpleegde documentatie aantoonbaar blijkt:
a. welke soorten asbest in het object verwerkt zijn en wat de percentages asbest zijn; of
b. dat er asbest in het object verwerkt is en voor SMART geen analyseresultaten nodig zijn om de risicoklasse te bepalen.

In de Toelichting bij het artikel staat:
Als het nemen van een monster niet mogelijk blijkt omdat de asbesthoudende toepassing in het object verwerkt is en het nemen van een monster kan leiden tot asbestvezelemissie en de risicoklasse door het ontbreken van een percentage asbest niet bepaald kan worden door middel van SMART, moet de toepassing in de hoogste risicoklasse worden ingedeeld.

Er dient in deze gevallen dus de hoogste risicoklasse toegekend te worden. Echter er is hierop één uitzondering die voortkomt uit de zin in lid b “en voor SMART geen analyseresultaten nodig zijn om de risicoklasse te bepalen.”

SMART heeft voor één specifiek geval geen analyseresultaten nodig om wél tot een risicoklasse te komen. Voor toepassingen waarbij het asbest volledig omsloten is (zoals bij toestellen of platen in deuren) en er dus ook geen asbest kan vrijkomen zal Smart een risicoklasse 1 toekennen. De gedachte hierachter is dat juist de bemonstering ervoor zou zorgen dat het omsloten asbest niet meer omsloten is en je juist emissie gaat veroorzaken. In SMART dient dan bij de asbest soorten “Geen analyse” te worden aangegeven. Vervolgens staat SMART bij bevestiging alleen nog maar “Geheel omsloten” en bij de handeling “Omsloten toepassing verwijderen” toe om deze situatie te ondersteunen.